In een tijd van overvloed, drukte, herrie, gaat een raam open naar een zachte plek waar het lawaai
ruis wordt en uiteindelijk stilte. Het is een plek die alleen te zien is door zwevende bladeren en takken: een verzameling die een onnatuurlijke realiteit laat vermoeden.
Een hortus met heldere doeken en zwarte gesso: fragiele takken, vibrerende biezen en rieten,
varens, trossen, loof, guirlandes.
Verbeeld als een bijzondere botanica: van kleine studies naar steeds meer variërende en ruimere ranken. Naast elkaar als hiëratische zuilen,
moderne hiërogliefen, ragfijne Japanse karakters.
In het felle licht gevouwen bladschijven, soms diepzwarte schaduwen, op een warme mistige achtergrond. Zwevend in dimensies zonder proporties, de diepte is gissing.
Een momentopname uit een verhaal, een moment van groei die tevens sterven is. Een eeuwige herhaling die vanzelfsprekend gebeurt in al zijn onvermijdelijke ruwheid.
Beweging die tegelijkertijd lopen en stilstaan is.
Stilte waar ruis ontstaat en tot stilte weer verbleekt.
De planten zweven los van wortels, losse eilanden, aanleiding tot ontlokken. Details vervagen, vormen ontplooien zich in het essentiële.
Het onbewuste kantelt naar boven en
schenkt aandacht, ruimte, rust.
Luigi Pucciano (architect)
april 2014
